Coöperatieve werkvormen

Zoek iemand die
Deze werkvorm is geschikt voor een herhalingsles. Maak een werkblad. Op dit werkblad staan negen vakjes. In elk vakje staat een vraag.

  1. Iedereen loopt met het werkblad door de klas en zoekt een andere leerling.
  2. De ene leerling stelt een vraag van het werkblad, de andere probeert antwoord te geven. Lukt dit, dan schrijft de leerling het antwoord op.
  3. De andere leerling checkt het antwoord en schrijft zijn naam erbij.
  4. Vervolgens wisselen de rollen.
  5. Klaar: Zoek iemand anders die... (herhaal stap 2-3-4)


Mix en koppel
Voorbeeld: Een leerling heeft een kaartje met 1/4 en een andere leerling heeft een kaart met een taart. Die taart is verdeeld in vier stukken. Deze twee leerlingen horen bij elkaar. Door middel van vragen stellen komen zij erachter of ze bij elkaar passen.

  1. Alle leerlingen krijgen een kaart.
  2. Iedere leerling zoekt een partner.
  3. A stelt een vraag die past bij de kaart, B antwoordt.
  4. A coacht of prijst.
  5. B stelt een vraag die past bij de kaart, A antwoordt.
  6. B coacht of prijst.
  7. Ruil de kaartjes.
  8. Maak een ander koppel en herhaal stap 1 t/m 8.
  9. De leerkracht geeft een stopteken.
  10. De leerlingen zoeken snel de partner met de passende kaart.

Laat zien
  1. De groepsleider pakt het bovenste kaartje van de stapel en leest de opdracht voor.
  2. Iedereen schrijft het antwoord op.
  3. Geef aan wanneer je klaar bent (pen neerleggen).
  4. De groepsleider zegt: 'Laat zien'. 
  5. De groepsleider controleert, coacht en viert met het team.
  6. De volgende speler is nu de groepsleider.
  7. Herhaal stap 1 t/m 6.

Binnen/buitenkring
  1. De leerlingen maken twee kringen, met de gezichten naar elkaar.
  2. In elk tweetal praat één leerling.
  3. Er wordt gewisseld (op teken).
  4. Er wordt doorgedraaid op teken van de leerkracht.
  5. Opnieuw stap 3-4-5.

Graffiti
  1. De leerkracht schrijft op grote vellen opdrachten (bijv. spellingsafspraken). Elk vel heeft een andere opdracht.
  2. De klas is in groepen verdeeld en elk groepje heeft een eigen kleur pen of potlood.
  3. Elk groepje krijgt even de tijd om zoveel mogelijk antwoorden te verzinnen bij de opdracht op het blad.
  4. Daarna worden vellen doorgegeven naar de volgende groep. Totdat iedere groep aan alle vellen gewerkt heeft.
  5. Elke groep kijkt het blad na dat ze als eerste gemaakt hebben.
Voorbeeld: Schrijf woorden op die horen bij de afspraak bomen. 

Placemat
  1. Elk groepje van vier leerlingen krijgen een vel papier.
  2. De leerkracht geeft een opdracht waar meerdere antwoordenmogelijkheden een vereiste is.
  3. Iedereen schrijft in zijn eigen vak antwoorden op.
  4. Na de individuele bedenktijd, wordt er over de antwoorden gediscussieerd. 
  5. Het gemeenschappelijke antwoord komt in het midden.
  6. De gemeenschappelijke antwoorden worden klassikaal besproken.

Zoek de valse
De leerlingen schrijven drie stellingen op en lezen ze voor aan hun teamgenoten. De teamgenoten proberen erachter te komen welke van de drie stellingen 'vals' is.
  1. De teamgenoten schrijven elk drie stellingen op: twee zijn waar, één is niet waar, om te proberen hun teamgenoten op een dwaalspoor te zetten.
  2. Per team staat één leerling op om zijn stellingen voor te lezen aan zijn teamgenoten.
  3. Zonder met de andere teamgenoten te overleggen, schrijft elke leerling op welke stelling volgens hem vals is.
  4. In een rondpraat verdedigen de leerlingen hun keuze.
  5. De leerlingen melden welke stelling ze hebben gekozen.
  6. De leerling die staat, verklapt wat de valse stelling is.
  7. De volgende teamgenoot staat op om zijn stellingen voor te lezen. de procedure wordt herhaald.

FlitsKaarten
De partners ondervragen elkaar in drie rondes aan de hand van FlitsKaarten; ze leren de stof beheersen en kunnen daar kaarten mee winnen.
  1. In tweetallen: de tutee geeft zijn FlitsKaarten aan de tutor.
  2. Eerste ronde: maximum aantal aanwijzingen. De tutor laat de vraag op de eerste kaart zien, leest de vraag, laat het antwoord zien op de achterkant van de kaart en leest dat ook. Dan draait de tutor de kaart om, leest de vraag nogmaals voor en geeft de tutee het woord om de vraag uit het hoofd te beantwoorden.
  3. De tutee beantwoordt de vraag. Als het antwoord juist is, wint de tutee de kaart terug en ontvangt hij verrassende complimenten van de tutor. Als het antwoord onjuist is, laat de tutor de andere kant van de kaart nogmaals zien en biedt tutoring aan. Dan stopt hij de kaart terug bij de andere kaarten, om het later nog een keer te proberen.
  4. Als de tutee alle kaarten heeft gewonnen, wisselen de partners van rol. Als de nieuwe tutee alle kaarten heeft gewonnen, gaan ze door naar ronde twee.
  5. Tweede ronde: minder aanwijzingen. De procedure wordt herhaald, maar nu laat de tutor alleen de vraag op de voorkant van de kaart zien; de tutee moet antwoord geven op basis van wat hij heeft onthouden.
  6. Derde ronde: geen aanwijzingen. De procedure wordt herhaald, maar nu stelt de tutor de tutee vragen zonder de FlitsKaarten te laten zien.

Denken-delen-uitwisselen
  1. De leerkracht geeft een opdracht of stelt een vraag.
  2. De leerlingen denken individueel na over het antwoord of de vraag.
  3. In tweetallen wordt het antwoord gedeeld.
  4. De antwoorden worden klassikaal uitgewisseld.

Denker-schrijver
De leerkracht stelt heterogene duo's samen en legt de opdracht uit. De leerlingen maken om de beurt een som, waarbij zij hardop nadenken. Als de ene leerling een som maakt, dan observeert de ander en geeft hij hulp als dat nodig is. Daarna wisselen de leerlingen van rol. De leerkracht bespreekt dit klassikaal na.

Wandel - Wissel uit
Alle leerlingen verspreiden zich onafhankelijk van elkaar in het lokaal. Als de leerkracht 'Sta stil!' roept, dan stopt iedereen. Elke leerling vormt een duo met degene die het dichtst bij staat. De leerkracht stelt een vraag of geeft een opdracht. De duo's wisselen hun antwoorden uit.

Doe mij na
De leerlingen werken in tweetallen.

  1. De leerling legt hardop uit hoe hij de opdracht maakt en laat zijn denkstappen visualiseren.
  2. De andere leerling kijkt, observeert en schrijft de denkstappen/aantekeningen over. De leerling schrijft het antwoord over wanneer hij het hier mee eens is.
  3. De rollen wisselen. Begin weer bij 1.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen